slot Brown Breezer

dag iedereen,

de ellende bij de weblogprovider Weblog duurt maar voort.
ik wil me niet langer ergeren, dus stop hier deze blog
Brown Breezer.
ik start per 18.11.2011 een nieuwe blog STUDIO BRUNO

 

 

 

 

 

 

 

http://jandebruin.net/weblog


 

 

 

graag tot ziens!

Jan de Bruin / Groningen

xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx

 

dubbelbeeld 160

 

                                                           tochtige samenleving

de wereld

Ik hoor niets, ik voel het, 1997, 65 x 95 cm, tekening

 

 

Andere wereld

 

Soms voel je ineens aan de rand van de wereld staan. Daar is het
anders, daar doet men anders. Daar laat men zich graag en lang
likken door licht en geluid. Daar hebben ze één en al oog en oor
voor diep in de huid boren, men proeft graag zwart bloed.
Verval kennen ze daar niet, het is afwezig, evenals vernietiging.
De meeste mensen hebben een genietend voorhoofd, het is heel
prettig toeven daar aan de rand van de dampkring. Ze hebben
geen boodschap aan de stinkende stad. De stad is vergeten of ligt
nog ergens in een steriele lade te wachten op andere tijden.
Hier leeft men boven het eenzame in een eeuwige sterrennacht.
Men is bereid tot het uiterste te gaan, hier zijn geen uitvreters te
vinden. Iedereen heeft een winnend paard onder de reet en de
ogen staan op gerechtigheid.
Als de fantasie vast dreigt te groeien is er altijd wel iemand die
een verlossend woord uitspreekt, de luie oefening krijgt geen kans.
Je zou kunnen lachen van het huilen of huilen van het lachen als
je niets beters had te doen. Aan de rand van de wereld is men be-
gonnen met iets wat begonnen moest worden, maar je mag dat niet
volledig uitspreken, want dan gaat alle kracht er van af.
Tot zover mijn belangstelling voor die kant van de wereld .
Verder hoef ik geen aandacht.

 

De wereld in huis, 1998, 65 x 95 cm, tekening

 

 

In huis

 

Toon jij nu maar eens je nieuwe totale kunst en sla eerst die oude
tafel kapot en verwijder de muffe overgordijnen hoort hij in zijn oor
sissen. Hij raakt licht in paniek. Wat ruikt hij? Gaat de aarde open?
Straks crepeert de hele meute in een ongestoorde lente (wel een
mooi moment) en is alles in een zalige zucht voorbij.
Was hij maar doodgemoedereerd een lieve splitsneus gebleven, dan
liep zijn lichaam tenminste af en toe nog warm. Zijn trillende handen
verraden zijn ongerustheid. Hij wilde zo graag verstandig zijn, maar
hemeltje lief, wat gebeurd er nu toch? Bevindt hij zich nu in de tuin
der lage lusten? Dan is de wereld pas echt in huis.
Even later kleppert een kletsnatte vis tussen zijn tanden. Dat moet
met overproductie te maken hebben, denkt hij.  Heel vreemd! Zijn
speurneus wappert maar wat rond, hij vindt niets in de blauwe zo-
merzon.
Dan hoort hij in de verte een zachte, heldere vrouwenstem zingen:
rooster uw bibberend kruis
Maria is altijd thuis
Hij kan slechts meeneuriën en snoepen van zijn gedachten. Daarna,
heeft hij geleerd, kan hij zich bezatten en dankbaar zijn dat hij nog
leeft. Wie is toch die zangeres?
Zij laat marmer smelten, lijkt onsterfelijk en is misschien wel een
mannelijke kip, zoals hij een vrouwelijke haan is. En kijk daar eens:
is dat niet de trap naar de zevende hemel?
Vervolgens krijgt hij een harde nekslag.
Einde verhaal.
Niemand kijkt er van op.

 

Verbindingen, 1998, 50 x 65 cm, tekening

 

 

Weg er mee

 

In een half achterbuurtje stonden de gordijnen versteld in de kleine
kamers. Er klonken vreemde, slijmachtige woorden in de straat.
Waarschijnlijk wilde de gemeente hier iets nieuws gaan ontwikkelen.
Een nieuw gebied vol zwijgende fonteinen, waar de stadsduiven hun
melk konden afgeven. Deze billoze ambtenaren bedenken vaak on-
zinnige, bodemloze vormen.
Het liefst heb ik daar niets mee te maken, maar als ze nieuwe plan-
nen hebben voor je straat piep je snel anders. Je hebt geen zin aan
die dansende vlooien op je straat, die dan ineens boulevard heet. Je
krijgt je kippenvel kleumerig cadeau. Ai!
Wat moet je met die stadse fratsen? Slijmen? De hik krijgen?
Ik houd me maar aan de gekleurde ramen die ik heb besteld, dat
vrolijkt de boel tenminste wat op. De gemeente moet zich aan zijn
grenzen houden en laat die stomgeschoolde looser nu maar langer
schaften, dan komt de intellectuele arbeider vanzelf om de hoek.
De gemeente-gladjanussen zijn zelfs gepeperd nog niet te vreten,
uit hun mond stinkt het ranzige stadsriool. Drieduizend maal stank
is echt te veel. Zeker voor iemand zoals ik, die in alle zaligheid is
geboren.
Kijk, nu huilt de ambtenaar, nou ja huilen, er is een vochtige schit-
tering van glans rond de ogen, terwijl mijn feestelijke etalage alles
warmstraalt.
Zoiets kan je bedenken als je aan de keukentafel zit te mijmeren.

 

onze wegen

Rainy Day, 2011, computertekening

 

 

Grijze dag

 

Je hebt vaak van die herfstdagen dat het licht zwaar blijkt te zijn.
De regen geeft de duisternis een kus op de kaken. Je oogholten
kunnen het licht niet echt vinden, er hangt dof ijzer voor.
In die dagen schilferen de misbaksels buiten. Als bleke broden kwa-
men ze ‘s morgens nog uit hun lakens, zetten zich slap in het zadel
om iets te gaan doen. Dat iets werd snel niets, want deze misbaksels
kunnen niet bakken, zij lossen op in de aanhoudende motregen.
Daarna zijn alle praatjes en smoesjes over om plaats te maken voor
een roze belofte. In de kinderlijkste kleuren, tussen alle kieren en
speten groeit al het schoons op de verse kluiten wat je alleen met
rozenogen kunt bekijken.
Is het wel goed met je, hoor ik je nu zeggen.
Jazeker, ik staar in het water, terwijl mijn tanden schudden. Kalk en
azijn voeren kennelijk een strijd. Aan de andere kant voel ik me niet
ongelukkig, ik zit met gemak met mijn kartonnen rug tegen de war-
me cv, om maar iets te noemen.
Nee, mij hoor je niet klagen, iedereen zou trouwens eens op moeten
houden met dat zuchten en klagen, daar zou de wereld een stuk lich-
ter van worden. Misschien versnippert de nattigheid zich dan om te
verkleinen tot een groot niets en stopt de regen uiteindelijk.
Mijn toereikende grond kan niet worden afgeplakt, het is te groot.
ik ben niet gekooid. Sterren stralen eigenlijk alleen voor mij.
Als ik loop stuift het zuiver zand uit ontzag regelrecht de grot in.
Mijn weg is altijd vrij.
De regen is overigens al lang gestopt zie ik nu.

 

We liepen onze wegen, 1996-2011, computertekening

 

 

Rare ontmoeting

 

Die dag begon hij rond te slobberen, het leek hem leuk. Vooral de
verbaasde reacties van anderen deed hem goed. Als hij vlak voor
iemand stond deed hij met een grote zwaai zijn jas open en zei:
kijk, de werkelijkheid kent geen schaarste om snel te vervolgen
met gulzig is mijn zichtbaar zwijn. Men deinde vol ontzag terug.
Ware schoonheid liegt niet.
De slobberatleet, driedubbel bemand en goed geschoren, genoot
van hun schrikreactie. Tot de nederlaag van het avondrood bleef
de stakker zich herhalen. Floeps jasje open, floeps jasje dicht.
Steeds bleker werd hij door zijn afdekking, totdat hij zo wit was
als een pasgeborene. Albinowit is kwetsbaar.
Ik ben slechts vluchtig aanwezig wilde hij ook nog wel eens zeggen.
Dat gold niet voor zijn zwijn, zijn bezem, nee zijn plumeau, die
moest regelmatig luchten, die moest het schaamrood op andermans
kaken brengen. Het stralend laten schrikken was zijn grootste ding.
Kortom de slobberjak woonde in zijn eigen verwaande nut en
wenste dat zijn kwaal nooit over zou gaan. Eerlijk gezegd hoopte
hij nog eens een maagd te zien wegsmelten om hem te bevrijden.
Dan pas zou hij echt gelukkig zijn en voor altijd verdwijnen.
Sterven in een geopende jas, daar hunkerde hij naar.

 

Achter de kleur, 2011, computertekening

 

 

Iets anders

 

Die niet en die niet en die ook niet. Eh…
Het is een meeslepende melodie van lange en brede kleuren. Een
soort eb en vloed. Als solozang je niet meer behaagt komt er van-
zelf een nieuwe harmonie. Tussen degene die lijdt en kastijdt leeft
het klakkeloze gokje. Die schommelt in een grote wiebelwaagschaal
vol dolle woorden.
Pak maar wat je nodig hebt.
Met wat geduld heb je zo een nieuwe melodie. Een krekel of nachte-
gaal zou barsten van wilde jaloezie. Mensen kunnen veel als ze het
toestaan. Van het onmogelijke mag je nooit iets, daar moet je maar
niet naar luisteren, het zijn je verkeerde ouders.
Toen ik laatst in het tijdverdrijf van de nacht was gaan dansen,
dacht ik daaraan. Platte voeten willen ook wel eens swingen. Als
charismatische rebel ben je dat verplicht, anders gaan de maden
zich alvast oprekken. Tijdens dat dansen verstomden de molmige
mummies en wankelden lawaaierig naar de grond. Ik schrok wakker.
Hoe dan ook, een beetje kleur, een elfendans uit pigment, kan geen
kwaad. Ik moet zeggen dat alles, maar dan ook alles, wat grijs en
grauw is kleur verdiend. Die kwijtschelding geeft een mooie erfenis.
Er is veel zelfvoldoening bij het kleurvoltooien, dat spreekt voor zich,
daar hoef je niet voor te studeren.
Nog een vingerwijzing:
Maak er geen rompslomp van, ruim de vloekende draken op, anders
krijg je een kluwen zonder eind. Rol alles af, ruim alles op.
Doe daarna de deur achter je op slot en besluit hem voortaan altijd
dicht te houden. Geef de grijzen geen kans.

 

 

 

 

nieuwe start

 

dubbelbeeld 159: nieuwe start

 

 

 

deze log begint per 28 oktober aan een nieuw leven

 

 

dubbelbeeld 158

Db 158_laat het verleden los
                                     laat het verleden los

                                              Oog B

zonnig werk

Das licht ist aus, 1987, acryl, 95 x 150 cm

1987_das Licht ist aus_k

Elk nieuw uur

Misschien zocht ze steeds om dat, wat nog niemand vond.
Vol frisse moed en ander opgewektheid ging ze de deur uit, de
grote wereld in. Los van de grond en heel nieuwsgierig.
Ze gaf alle dieren te eten, er was zelfs voedsel voor de glinster-
dradende  spin. Ergens, tussen de hinden en de bloemen zou het
ongekende vindbaar moeten zijn, maar het bleken vaak nutteloze
tochten, die uiteindelijk achter de horizon oplosten in een groot
niets.
Ik moet bekennen dat ik best wel bewondering had voor haar
pogingen. Het was knap om steeds blij en vol verwachting het
nieuwe uur te bezingen. Pas in haar allerlaatste dagen was het
als het weer van die laatste tijd: lauw en zuur, zonder het oude,
warme verlangen, pijnlijk als een onverdiend lot.
Bij dit alles moet wel gezegd worden dat alles alleen maar mo-
gelijk was als ze zelf de regie in haar handen hield. Aan zichzelf
twijfelen heb ik nooit gezien.
Soms leek het er wel op alsof ze voor niemand anders dan zich-
zelf was. Moeilijk bereikbaar. Niet dat dat erg is, maar je kon je
op die manier niet echt verbinden, je kwam niet tot haar kern,
je stootte tegen haar harde buitenrandje.
Toen ze aan haar eind zat voelde ze een mogelijk plot. Men was
tegen haar. De dokter zei nog je hebt het hart van een paard,
maar wat koop je ervoor als je geen stap meer kan zetten? Dus
kreeg ze last van het benoemen van het Grote Niet, waardoor ze
sneller stierf dan strikt noodzakelijk was.
Nu is er rust voor altijd, niet voor een uur.

Oog B

Mrs. Perfidy, 2002, acryl, 100 x 80 cm

2002_mrs.perfidy

Beste Piet,

Dit antwoord komt laat. Rijkelijk laat, maar dat heb je vast niet
gemerkt omdat je het vast de laatste tijd druk had met andere
dingen aan je hoofd.
Eerst en vooral: ik denk vaak aan je, wat vooral goed is voor mijn
stof voor een nieuw werk (een uitgewerkt idee is er nog niet, het
wankelt nog wat). Je zult het later zien en beleven.
Iets anders. Het viel me op dat je niet zo goed op dreef bent. Zo
ken ik je niet. Je verhaal over de affaire met M. bevalt me niet zo.
Ik ken de ware reden niet, maar je theoriexebn lijken wat mij betreft
een beetje te theoretisch en hangen er wat geflanst bij.
Als onschuldig persoon heb ik er meer dan genoeg van de details
van dat stuk leven. Ik mis een precieze reden. Die zal er best zijn.
Uiteraard is dit een eerste visie en moet ik alles nog eens onder de
loep bekijken, dus trek het je niet al te sterk aan.
Voorlopig is M. erg dociel en onderdanig. Zij herhaalt het vorige
leven en blijft steken in zijn adjectieven. Alles is eenzaam en alleen
bij haar. Bovendien is ze nogal perfide. Ergens vind ik haar slap als
een vodderige zeemlap.
Dit is mijn mening. Bij deze.
Ik wens je, beste Piet, veel courage in je onderneming.
Waarschijnlijk is het toch de moeite waard.

X

Oog B

Alias, 2008, acryl, 40 x 40 cm

2008_alias_k

Zonzin

In het jaar dat men ons voor gek verklaarde scheen de zon elke dag.
Alle gezichten stonden constant vrolijk en teksten werden niet meer
voorzien van leestekens. Seconden deden er ook niet toe, de zon
was voldoende. Men had het licht en de tijd.
Sommige mensen werden vrij wild van herwonnen vrijheid en voel-
den zich herboren. Dat was natuurlijk niet echt zo, maar ze konden
nu aantoonbaar aan de zonde doen en dat was tijdelijk heel prettig.
Nog voor de dood bestelden zij hun graf. Er werd niet meer gezucht.
Nu was er een kleine herder die nog nadacht. Hij zei tegen de men-
sen dat ze gevaarlijk bezig waren en dat ze binnenkort slechts een
schaduw zouden zijn in een ondoordringbaar woud. Het grote hout
zou het kleine hout zo droog houden dat het vlug zou ontvlammen.
De mensen zouden het dan niet redden en voer worden voor de
woeste, wilde zwijnen.
Zo zou het gaan komen volgens de herder en bij het afscheid van
het toeval ontstond een muur, die overliep van gewenste dromen.
Vele liefsten stonden daar naakt. De sluizen waren ontzekerd. Alles
was klaar om in grote haast uitgewist te worden.
De bevleugelde mensen stortten zich op God.
Diep in mij wist ik dat het allemaal nog lang zou duren.

Oog B

oude tijd

Grootvaders stoel, 2011, computertekening

2011_grootvaders stoel_ct

Lang geleden

Wat schoon schijnt moet schoon blijven zei mijn grootvader altijd.
Daarbij likte hij zijn lepel, vork, mes en bord schoon. Zijn vrouw kon
dat niet waarderen en sprak snel in razernij over zijn verdorvenheid.
Het is mij verteld, ik ben geboren in zijn sterfjaar. Ik moet het maar
aannemen en geloven.
Toch denk ik dat het echt waar is, want ik heb die neiging zelf ook
sterk, het is iets van de genen. De vrijende natuur geeft tenslotte
haar kleur aan mens, plant en dier. Een blad valt in de natte verf
en weet zijn kleurplaats, zoiets moet mij ook overkomen zijn.
Ineens moet ik denken aan een flard van een gedicht van Lucebert:

daar waar de tranen zijn een stil kanaal
waaraan een boom net een mens te imponeren staat
in de eenzaamheid die hem grijs omringt

De natuur keert zich nooit af, blijft altijd een jong springbokje.
Het hoofd praat maar door, dringt en dwingt. Of dwaalt van vallei
naar vallei, dat kan ook.
Een dronken geest laat de mens rare dingen doen, daar is het
schoonlikken van de dis niks bij.
Als ik aan mijn grootvader denk voel ik me een slapend kind met
een zoeklicht in de hand.

Oog B

Oud strijder, 2011, computertekening

2011_oud strijder_ct

Verzet

Oude strijders hebben vaak mooie maskers. Zij kunnen hun verhaal
niet kwijt. In het grote huis teruggekomen worden zij voortdurend
klein gehouden. Rust en stilte heerst verraderlijk.
Luie geesten hebben het niet op hun begrepen, zij denken, voelen
te snel omdat zij te vroeg volwassen zijn geworden. In een aantal
maanden leer je alles waar je anders een heel mensenleven over
zou doen. Toen ze de schroeiende aarde verlieten kwamen ze in
een oorverdovende zucht terecht. Of nog erger ze voelden dage-
lijks de ontkenning daarvan, de onzucht.
Soms zag je een stil verzet, dan zaten de strijders stil bij een kroos-
vijvertje, dachten aan toen. Op de juiste momenten werden de
noodklokken geluid, zij moesten het ontregelde ontlasten.
Tussen de regels door ontsteken sommige strijders een waakvlam
voor dwaallichten, de lichten waar zij zoveel van houden omdat die
nooit het leven uitblazen. Integendeel zij wakkeren het leven juist
aan. Desnoods tot alles verschroeiende vuurstormen, dan hebben
de wormen niets meer om op te vreten.
Als je de bronnen niet openbaar maakt verdrinkt de schuld in alle
schijn. Dan zal de diepste schaduw verstenen.
Dat moet niet.
Overal tikken de klokken dicht bij het onvaste lichaam.

Oog B

Zwaar bedorven, 2011, bewerkte foto

2011-zwaar bedorven_bf

Ogenschijnlijk

Zij lijkt nog het meest op een vergiftigd slablaadje, ondanks haar
verstandig hoofd. Kalm kijkt ze naar buiten en vloekt niet met haar
mond. Onder deze omstandigheden kan je haar oprecht noemen,
maar wat wil dat dan zeggen?
Slablaadjes moet je na de oogst gelijk eten, de natuur is rijk genoeg.
Voor gewone ogen moet je oppassen, het zijn kurken die overbodige
openingen zomaar afsluiten. Daarna drijf je weg op de rivieren van
het licht. Het is de vraag of je ooit weer terug zal komen.
Als het groen van de sla is uitgewoed is het de gewoonte om je
ogen te sluiten voor overvloed. De romantische cultuurkrekels hou-
den hier hun mond, zij denken dat ze de juiste grond onder hun
voeten voelen en kunnen aarden.
Ik beveel dat het allemaal grote onzin is.
Hier kan geen lamp van branden.
Leg je hoofd terug op het kussen en ga verder slapen.
Deze droom is nog niet af. Het was slechts een klont in de pap.
Laat de maan verstomd staan en hoor de hese honden huilen.

Oog B

uitgelicht 85

Uitgelicht 85: geheime tafeldekking

85_geheime tafeldekking

                                                    Oog B

dubbelbeeld 157

Db 157_volle droge zomer

           in de volle zomer waar alles droog is groeit weinig

                                              Bloemige B